Tiges et chavées à Montegnet
Panneau TC (MONTEGNET)
Les « Tiges » et les « Chavées »
Le relief du Condroz est caractérisé par une alternance de crêtes et de dépressions allongées suivant une direction S.-O., N.-E. Sur les lignes de crête, les chemins tracés par le passage des hommes et de leurs troupeaux sont désignés des « tiges ». Tige, du wallon « tidje » est un vocable typique condrusien. Il désigne le sommet d’une côte qui s’étend au-dessus d’un lieu dont il prend le nom, comme ici, le tige de Bormenville, Montegnet, Homezée, Ossogne.
Le tige de Montegnet est aussi désigné « Le Sairoïat », toponyme prononcé par les anciens « Le Saivia, ou Le Saiweeh ». Cette désignation identifiait une source d’eau potable et bien fraîche. C’est le cas à Montegnet, où ce toponyme a été transmis au chemin du tige par les villageois.
Les vallées sont marquées par des chemins appelés « chavées ». Chavée, du latin, « scavata », se dit dans nos régions « skaveye », c’est-à-dire chemin de campagne creux, souvent encaissé, bordé de haies et de buissons.
Certains de ces chemins ont été aménagés en fonction de leur usage.
C’est ainsi qu’aux xviiie et xixe siècles, on voit figurer une série de chemins limités en largeur désignés les « herdaux ». Ceux-ci, réservés au passage des hommes et de leur troupeau, étaient tracés en ligne droite depuis le fond de vallée vers les pâturages des crêtes. Ils étaient bordés de haies pour empêcher le troupeau de dévier vers les terres de culture.
Le herdier (guide de troupeau), était désigné par la commune pour rassembler le troupeau sur le bâti (cour de ferme ou pré devant l’église) et le conduire vers les terrains pauvres des crêtes. Le herdier y conduisait aussi les cochons qui pouvaient se goinfrer de glands (fruits du chêne). À ce moment le herdier restait à ne rien faire, d’où l’expression « glander ».
D’autres chemins étaient conduits en serpentins pour soulager la traction animale des pentes raides des vallées afin d’acheminer les récoltes vers les granges. Ces chemins étaient désignés les chemins de charroi.
À l’image des petits ruisseaux du Condroz, la Vyle, le Barsy et le Montegnet qui serpentent au creux des vallées ajoutent encore au caractère ondulé du paysage et lui confèrent la quiétude tant recherchée par l’homme et par la faune. De ces vallées bocagères aux plaines sur les versants et jusqu’aux crêtes boisées, le paysage exhale le souffle de la vie paysanne.
Tiges et Chavées – Heuvelruggen en dalen
Het reliëf van het Condroz wordt gekenmerkt door een afwisseling van heuvelruggen en verlengde depressies in een ZW-NO richting. Op de heuvelruggen vormden zich paden door de passage van mensen en hun vee; ze worden aangeduid als « tige ». Tige, uit het Waals « tidje », is een typisch Condruzische term. Het verwijst naar de top van een heuvel die zich boven een plaats uitstrekt waarvan het de naam overneemt, zoals hier de tige van Bormenville, Montegnet, Homezée, Ossogne.
De tige van Montegnet wordt ook wel 'Le Sairoïat' genoemd, een toponiem dat door de oudsten werd uitgesproken als 'Le Saivia' of 'Le Saiweeh'. Deze benaming duidde op een bron met zeer koel drinkwater. Dit is het geval bij Montegnet, waar dit toponiem door de dorpelingen aan het “chemin du tige” is doorgegeven.
De valleien worden gekenmerkt door paden die « chavées » worden genoemd. Chavée, van het Latijn « scavata », wordt in onze streken « skaveye » genoemd, dat wil zeggen een hol plattelandspad, vaak ingeklemd, omringd door hagen en struiken.
Sommige van deze paden zijn aangepast aan hun gebruik.
Zo ziet men in de 18e en 19e eeuw een reeks smalle paden ontstaan die 'herdaux' worden genoemd. Deze paden, gereserveerd voor de doorgang van mensen en hun vee, vormen een verkortweg van de bodem van de vallei naar de weiden op de toppen. Ze waren omzoomd met hagen om te voorkomen dat het vee afweek naar de landbouwgrond.
De herder werd door de gemeente aangewezen om de kudde te verzamelen op het erf (boerderij of weide voor de kerk) en deze naar de arme grond op de heuvels te leiden. De herder bracht er ook de varkens naartoe die zich daar konden verzadigen met eikels. Op dat moment deed de herder niets, vandaar de uitdrukking "glanderen" (gland is het franse woord voor eikel).
Andere paden werden in meanders aangelegd om de last van dieren op de steile hellingen van de valleien te verlichten, zodat de oogsten makkelijker naar de schuren konden worden vervoerd. Deze paden werden de laad- en loswegen genoemd.
Net als de kleine beken van de Condroz, de Vyle, de Barsy en de Montegnet die door de valleien slingerend, voegen ze nog meer toe aan het golvende karakter van het landschap en geven ze de rust die zowel door de mens als door de fauna zo dringend wordt gezocht. Van deze landelijke valleien tot de vlaktes op de hellingen en tot aan de beboste toppen, ademt het landschap de adem van het boerenleven.
